Vogel van de waps

 

'Pieperdepiep, help, help ik kan mijn eierstop niet meer vinden, piep, help me dan!'

 

Met zijn hoofd in zijn nek kijkt Klaas naar boven en ziet hoe een grote witte vogel met oranje poten zenuwachtig heen en weer vliegt. Dat die vogel ook mensentaal spreekt, is al vreemd, maar dat ze het eieren laat regenen is knotser dan knetterder gek. Omdat hij, als oudste van een gezin van zes kinderen, gewend is allerlei dingen voor anderen te regelen,

 voelt hij zich ook nu verantwoordelijk voor de vogel die compleet van de waps is.
 ‘Ik ga je helpen.’ roept hij en dan doet hij vlug zijn mond dicht.  Bijna had hij
achter dat 'helpen' pieperdepiep geroepen. ‘Doe het wat rustig
aan met die eieren, ik ga mijn karretje halen om ze
daarin op te vangen.’
Hij rent zo hard als hij kan naar de garage waar zijn splinternieuwe geel-rood
gestreepte fiets staat en wipt het karretje aan de karretjeshaak.‘Wacht eens
even, waar ga je met die kar naar toe?’ Zijn moeder noemt zichzelf een
duizendpoot, maar, pech voor hem, ze is meer een duizend-oog.Ze hangt
over de vensterbank van het keukenraam. ‘Je zou boodschappen voor me
doen.’Door dat gedoe met die vreemde vogel is hij dat helemaal vergeten.
‘Zonder eieren kan ik geen pannenkoeken bakken en eten we vanavond
spruitjes.’ Dat van die spruitjes zegt ze expres. Hij haat spruitjes.
‘Laat me nou maar, ik zorg voor minstens twintig eieren.’ ‘Klaas,’ hoort hij
z’n moeder nog roepen ‘je vergeet de portemonnee.’ Zonder om te kijken
rent hij door. Eerst die vogel uit de nesten helpen. Boven het klaprozenweitje
hoort hij hevig geklapwiek. ‘Hier ben ik weer en ik heb mijn karretje
meegebracht. Laat die eieren nou maar voorzichtig vallen op het kussentje.
Dat heb ik gepikt uit de poppenwagen van mijn zusje. Snavel dicht hoor.’
De eerste eieren vallen naast het karretje. Grote gele kledders in het groene
gras. ‘Je moet wel beter mikken anders wordt het niks.’
Als de vogel net zo snel vliegt als Klaas loopt, is het karretje al gauw vol.
‘Nou moet je toch wel weten waar de stop zit, drie eieren hebben van de
zenuwen al vleugels gekregen!’ Even plotseling als de eierregen begon,
stopt hij weer. Traag landt de vogel naast Klaas en zijn karretje vol eieren.
‘Ik weet hoe het komt dat ik zo in de war ben, ik heb vanmorgen een stuk
eierkoek naar binnen gepikt en dat moet je als vogel nooit doen. Waren
die koeken maar niet zo lekker!’ ‘Eigen schuld dikke bult dus, maar wat doen
we nou met al die eieren?’  Klaas hoopt dat de vogel hem wat eieren wil geven.
Het zou onbeleefd zijn als hij er om vroeg.
‘Ach, neem ze maar mee, behalve die met die vleugels, daar ga ik een nest
voor bouwen en als ik geluk heb groeien er jonge vogeltjes aan.’ ‘Gaat dat
dan zo bij vogels?’ ‘Eigenlijk niet, maar mijn natuur is wat in de war.
Vogels moeten eerst een nest bouwen en dan pas eieren leggen.’
‘Ik wil één ding van je weten. Zitten er in deze eieren nu jongen of niet?’
‘In deze? Absoluut niet. Stel je voor dat er in ieder ei dat ik leg
jonge vogels zouden zitten. Dan was ik de hele dag bezig met voeren.
Van lekker vliegen en rondcirkelen zou niets komen.' Het zal allemaal wel,
denkt Klaas ik weet niet meer wat ik moet geloven, maar mijn moeder zal
haar eieren krijgen!

 

Marijke Bokslag

Februari 2006