Bloemgracht 

Bij de Slegte zag ik haar staan. Ze was niet meer zo jong, even in de veertig, schatte hij. In haar houding en bewegingen was ze  een meisje gebleven. Zwierig liep ze langs de rekken. Haar ogen vlogen van links naar rechts over de boekenruggen. Dan stond ze stil bij dichtbundels, dan weer bij romans, dan bij kinderboeken. Voor de exemplaren boven in de kast moest ze op haar tenen staan. Hij zag hoe haar kuitspieren zich spanden. Om de titels van de onderste rijte kunnen lezen, zakte ze moeiteloos door haar knieën. Aan de zoom van haar jas groeide een pluizige stofrand. Wat hem opviel was, dat ze niet één boek van de plank haalde.In haar zoeken kon hij geen enkele logicaontdekken en dat intrigeerde hem zo dat hij haar aansprak en vroeg of ze iets speciaals zocht en of hij haar daarbij kon helpen. Ze keek hem aan met grote grijze ogen en glimlachend antwoordde ze: ‘Ik heb al heel vroeg geleerd geen snoepjes van vreemde heren aan te nemen. Van die ene keer dat ik dat toch deed, pluk ik nu de wrange vruchten.' Ze sloeg haar hand voor haar mond. 'Sorry, neem me maar niet serieus!’

Aan haar ringvinger glansde goud.

Ze boeide hem en hij nodigde haar uit met hem een kopje koffie te drinken.

Na wat aarzelen zei ze: ‘Ik doe het. Het is een eeuwigheid geleden dat iemand me dat voorstelde.’ Ze draaide zich om en liep voor hem uit naar buiten. Opgetogen als een kind dat de eerste woordjes kan spellen, las ze de namen van de straten waar ze door kwamen hardop voor. Voor hem veranderden die namen in pure poëzie. Aangekomen op de Bloemgracht bleef ze staan. ‘Hier wil ik met jou koffie drinken.’ zei ze. In een bruin cafeetje dronken zij talloze kopjes koffie en aten ze klef wit brood met een bal gehakt met een kwak mosterd.

 

De bevroren dromen in zijn kop ontdooiden en suisden mee in zijn bloed.

Ze vertelde hem over haar leven in een plattelandsgemeente. Over haar honger naar het lezen van de meest uiteenlopende boeken, die ze vaak puur om de titel koos. Ze praatte over haar honden, haar tuin. Omdat ze met geen woord repte over man of kinderen, groeide zijn stekje hoop.

Hij praatte voor het eerst over zijn zwarte jaren. Zij onderbrak hem geen enkele keer, maar luisterde aandachtig. Tijdens het gesprek legde ze zo nu en dan haar hand op de zijne. De gladde ring aan haar vinger probeerde hij te negeren.

 

Pas toen de cafébaas met versleten stem zei dat hij zich aan de sluitingstijd moest houden, werden ze zich bewust van uur en plaats. Getroost door een vermetel vertrouwen elkaar terug te zien, zette hij haar op de trein en zwaaide haar uit tot zijn schoudergewricht kraakte.

 

Marijke Bokslag

Augustus 2005